Reden van voorschrijven en labwaarden

Sinds januari 2012 delen artsen bij bepaalde geneesmiddelen de ‘reden van voorschrijven’ met apothekers. Ook krijgen apothekers inzage in diverse labwaarden van de patiënt, zoals creatinine, natrium, kalium en PT-INR ten behoeve van de medicatiebewaking en patiëntveiligheid.

Reden van voorschrijven

Artsen vermelden bij 23 geneesmiddelen de reden van voorschrijven op het recept. De 23 geneesmiddelen hebben meerdere indicaties in uiteenlopende doseringen én een smalle therapeutische breedte of risico op ernstige bijwerkingen De Geneesmiddelenwet bepaalt dit. Het gaat om de onderstaande stoffen:

Azathioprine

Carbamazepine

Chloroquine

Ciclosporine

Colchicine

Danazol

Dapson

Fenytoïne

Fluconazol

Flucytosine

Ketoconazol (uit de handel)

Lithiumcarbonaat

Methotrexaat               

Metronidazol

Minocycline

Paromomycine

Rifabutine

Rifampicine

Sulfasalazine

Tacrolimus

Trimethoprim

Valaciclovir

Valproïnezuur

Ondersteuning ‘Bijzonder kenmerk in G-Standaard’

In de G-Standaard staat bij deze 23 geneesmiddelen het bijzonder kenmerk (BK) ‘Uitwisselen reden van voorschrijven noodzakelijk’. Wanneer softwareleveranciers de functionaliteit BK hebben geïmplementeerd conform implementatierichtlijn  van Z-Index , dan geven de informatiesystemen de zorgverlener een signaal dat de reden van voorschrijven moet worden vermeld. Het informatiesysteem van de voorschrijver toont dan een lijst van diagnoses (ICPC’s) en alle redenen van voorschrijven voor het medicijn. De voorschrijver kiest de diagnose en stuurt deze met het voorschrijfbericht mee. De apotheker kan dan het voorschrift met de daarbij behorende reden van voorschrijven vastleggen in het informatiesysteem. Op grond van de meegekomen ICPC voert de apotheker een adequate doseringscontrole (medicatiebewaking) uit.

Labwaarden

Apothekers krijgen conform de Geneesmiddelenwet ook inzage in laboratoriumwaarden van de patiënt die relevant zijn voor behandeling en medicatiebewaking. Voorbeelden zijn creatinine (nierfunctie), natrium, kalium, PT-INR, farmacogenetische parameters en spiegels van geneesmiddelen met kleine therapeutische breedte. Apothekers kunnen de laboratoriumwaarden bij de arts opvragen. De uitwisseling van nierfunctiewaarden krijgt extra aandacht: artsen delen actief een afwijkende nierfunctie (MDRD/e-GFR)   aan de apotheker. Voor de uitwisseling van labwaarden is nadrukkelijke toestemming van de patiënt nodig. Dat kan een mondelinge toestemming zijn, als dit maar goed wordt vastgelegd in het informatiesysteem.

Speerpunt apothekers

Het gebruik van reden van voorschrijven en laboratoriumwaarden in de medicatiebewaking draagt bij aan veilige, effectieve en doelmatige farmacotherapie. Met het speerpunt ‘Patiëntspecifieke Medicatiebewaking’ ondersteunt de KNMP apothekers bij de uitwerking van laboratoriumwaarden en reden van voorschrijven.