Veelgestelde vragen: kwaliteitscriteria standaard bloedglucosemeting

Deze vragen en antwoorden gaan over het Consensusdocument Kwaliteitscriteria voor standaard bloedglucosemeting. Dit document maakt deel uit van een serie adviezen voor goede diabeteszorg van de Nederlandse Diabetes Federatie.

Waar gaat het Consensusdocument Kwaliteitscriteria voor standaard bloedglucosemeting over?

Het consensusdocument beschrijft hoe de keuze voor een bepaald type meter voor een individuele patiënt wordt gemaakt, welke educatie en instructies de patiënt hoort te ontvangen, hoe de kwaliteit van de bloedglucosemeting gewaarborgd wordt, en hoe (indien nodig) veilig omgezet kan worden naar een andere meter. Ten slotte worden kwaliteitscriteria voor de organisatie en infrastructuur van standaard bloedglucosemeting en taken en verantwoordelijkheden van alle betrokkenen beschreven.

Wie heeft het consensusdocument opgesteld?

Onder de vlag van de Nederlandse Diabetes Federatie is begin 2016 gestart met de omschrijving van concrete kwaliteitscriteria voor standaard bloedglucosemeting. Hierbij zijn betrokken organisaties van patiënten (DVN), zorgverleners (KNMP, DiHAG, EADV, NVD/DNO, NIV, NVK), klinisch chemici (NVKC), leveranciers (FHI), fabrikanten (Diagned) en zorgverzekeraars (ZN). Daarnaast zijn het Zorginstituut Nederland en het ministerie van VWS betrokken.

Wat is het belang van het consensusdocument?

In het consensusdocument is vastgelegd wat goede zorg omtrent bloedglucosemeters is. Het zal worden opgenomen in het openbaar Register op Zorginzicht van het Zorginstituut Nederland. Opname in dit register geeft aan dat het consensusdocument het enige leidende document is in het veld.

Wat is de rol van de apotheker bij de zorg rond bloedglucosemeters?

Het consensusdocument gaat uit van de reeds bestaande rolverdeling:

  • De openbaar apotheker kan als zorgverlener deel uit maken van het behandelteam (de nieuwe tekst van de NDF Zorgstandaard spreekt inmiddels van multidisciplinaire eerstelijns samenwerking voor diabeteszorg).
  • De openbaar apotheker kan leverancier zijn van diabeteshulpmiddelen.

Hoe wordt de keuze voor het type bloedglucosemeter bepaald?

In het consensusdocument worden de volgende stappen benoemd:

  • De hoofdbehandelaar schrijft een bepaald type bloedglucosemeter voor dat past bij de functioneringsproblemen en behoeften van de patiënt (dit is een functioneringsgericht voorschrift).
  • De patiënt en hoofdbehandelaar kiezen de bij het voorschrift passende meters uit het aanbod bloedglucosemeters dat door de zorgverzekeraar van de patiënt wordt vergoed.
  • De patiënt en hoofdbehandelaar kiezen uit het assortiment van de leverancier de meter die past bij het functioneringsgerichte voorschrift én die wordt vergoed door de zorgverzekeraar.

Kunnen patiënt en hoofdbehandelaar nu dan kiezen uit een voldoende breed aanbod?

Uitgangspunt is dat patiënt en hoofdbehandelaar voldoende keuzevrijheid hebben uit een breed aanbod bloedglucosemeters. Dit betekent dat voor elke categorie patiënteigenschappen (basis, visuele beperking, motorische beperking enz.) door de zorgverzekeraar een minimum aantal beschikbare meters gecontracteerd moet worden. Om dit aantal te bepalen is in het consensusdocument een staffel opgenomen.
De zorgverzekeraar zorgt ervoor dat alle meters die de zorgverzekeraar vergoedt voor de patiënt verkrijgbaar zijn. Dit hoeft niet bij een en dezelfde leverancier te zijn.

Blijft een voorkeursassortiment mogelijk?

Jawel. Voorwaarde is dat patiënt en hoofdbehandelaar kunnen kiezen voor een bloedglucosemeter die past bij het functioneringsgerichte voorschrift en die wordt vergoed door de zorgverzekeraar van de patiënt. Binnen de keten van diabeteszorgverleners kunnen hierover afspraken worden gemaakt.

Wat is nu de status van het consensusdocument?

Het consensusdocument is aan het Zorginstituut Nederland aangeboden om deze in het openbaar Register op te nemen. Echter, met uitzondering van de paragraaf ‘substitutie op niet medische gronden’. Over deze paragraaf is door partijen géén overeenstemming bereikt. Aan het Zorginstituut Nederland is arbitrage gevraagd. Dit betekent dat het Zorginstituut alle betrokken partijen zal horen en een bindend besluit zal nemen (doorzetmacht). 

Waarom is er géén consensus bereikt over substitutie op niet medische gronden?

Op 2 aspecten is geen overeenstemming bereikt: economische substitutie en door wie samen met de patiënt het besluit tot substitutie genomen mag worden. De KNMP is met ZN en FHI van mening dat ‘economische substitutie’ mogelijk moet zijn. Hiermee wordt bedoeld: substitutie vanwege vergoedingsbeleid van een zorgverzekeraar van een bloedglucosemeter met bijbehorende teststrips, of substitutie vanwege wijzigingen in het prijsbeleid van een fabrikant.
De KNMP is van mening dat het vervangen van een bloedglucosemeter in overleg met de patiënt ook door de apotheker als leverancier gedaan kan worden, mits het een meter betreft binnen dezelfde categorie passend bij het functioneringsgerichte voorschrift. Het nu voorliggende tekstvoorstel dat een dergelijk besluit met de patiënt uitsluitend door hoofdbehandelaar genomen kan worden, achten de KNMP en FHI onnodig en niet werkbaar.

Contact

KNMP
Maandag t/m vrijdag 09:00 - 17:00 uur

(070) 373 73 73 communicatie@knmp.nl