Minister Hermans (VWS) geeft in antwoord op Kamervragen aan dat haar eerdere uitspraak over een landelijke overgangstermijn van zes weken niet gebaseerd was op wet- of regelgeving, maar op een specifieke afspraak van één zorgverzekeraar.
Tijdens het commissiedebat Eerstelijnszorg op 1 april 2026 wekte de minister de indruk dat er een landelijke richtlijn bestond: apotheken zouden na een tekort nog maximaal zes weken alternatieve (niet-preferente) middelen mogen verstrekken. Na kritische Kamervragen heeft de minister haar opmerkingen genuanceerd. De genoemde termijn van zes weken bleek na navraag bij slechts één grote zorgverzekeraar te zijn geopperd, die toevallig een coulancetermijn hanteerde van twee weken vóór en vier weken na een vastgesteld tekort. Van een wettelijke verankering of landelijke regelgeving is geen sprake.
Contractuele willekeur blijft de norm
Omdat er geen wettelijke regels zijn voor overgangstermijnen, bepalen zorgverzekeraars zelf hoe zij omgaan met de vergoeding van alternatieve middelen na een tekort. Hoewel Zorgverzekeraars Nederland (ZN) stelt dat haar leden streven naar 'redelijkheid en billijkheid' en dat sommige verzekeraars inderdaad een coulanceperiode hanteren, is de praktijk uiterst gefragmenteerd. Sommige verzekeraars hanteren een vorm van de Laagste Prijsgarantie (LPG) met een bandbreedte, terwijl anderen bij tekorten de LPG tijdelijk buiten werking stellen of alternatieve middelen alleen vergoeden onder de noemer 'medische noodzaak'.
Het gebrek aan uniformiteit is al langer problematisch met grote financiële risico's omdat reeds ingekochte alternatieve voorraden niet meer vergoed worden zodra het preferente middel weer leverbaar is. De minister erkent nu dat het ontbreken van eenduidige afspraken een "groot knelpunt" vormt.
Geen harde cijfers over verspilling
De Kamer uitte in haar vragen grote zorgen over de medicijnverspilling die dit beleid in de hand werkt: bruikbare medicijnen moeten immers op de plank blijven liggen en worden uiteindelijk weggegooid. Minister Hermans stelt echter dat er op dit moment "geen goede, onafhankelijke gegevens" beschikbaar zijn om de exacte omvang van deze verspilling of de financiële schade te beoordelen.
Wel wijst zij op een onafhankelijke evaluatie van het preferentiebeleid die momenteel wordt uitgevoerd. In deze kosten-batenanalyse worden ook de effecten op de apotheekpraktijk meegenomen. Het kabinet verwacht dit rapport, inclusief een beleidsreactie, dit najaar naar de Tweede Kamer te sturen. Tot die tijd worden er vanuit de overheid geen maatregelen genomen.
Hoop gevestigd op het AZWA
Voor een structurele oplossing kijkt de minister in de eerste plaats naar de sector zelf. Binnen het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) werken apothekerskoepels, zorgverzekeraars, groothandels en leveranciers momenteel aan uniforme afspraken over de uitverkoop- en vergoedingstermijnen van producten bij preferentiewisselingen.
Zolang deze afspraken er niet zijn, blijft de vergoeding na een tekortperiode een kwestie van individuele zorgcontractering tussen de apotheek en de verzekeraar.